Seksualiteit en autisme

Volwassenen met autisme laten een breed scala aan seksuele voorkeuren zien. Zo hebben ze veel meer kans om zich te identificeren als aseksueel, biseksueel of homoseksueel dan mensen zonder autisme toont onderzoek aan. 

Onderzoek naar seksualiteit onder mensen met autisme

In een onderzoek die uitgevoerd is onder bijna 2.400 volwassenen ontdekten onderzoekers dat mensen met autisme drie tot negen keer meer kans hadden om zich te identificeren als homoseksueel, aseksueel of ‘anders’. Onder de mannen hadden degenen met autisme meer dan drie keer zoveel kans om zich te identificeren als biseksueel. Vrouwen met autisme vertoonden een ander patroon: zij identificeerden zich niet zozeer als biseksueel, maar hadden drie keer meer kans om homoseksueel te zijn.

Het is niet duidelijk waarom aseksualiteit, biseksualiteit en homoseksualiteit vaker voorkomt onder mensen met een autismespectrumstoornis. Een mogelijke oorzaak is dat mensen met autisme zich minder bezighouden met de sociale verwachtingen van anderen en zich vrijer voelen om hun ware zelf te laten zien. 

Niet alleen recent uitgevoerde onderzoeken laten zien dat mensen met autisme diverse seksuele voorkeuren en ervaringen hebben, ook oudere onderzoeken tonen dit verschil aan. De resultaten ontkrachten de aanname dat mensen met autisme ongeïnteresseerd zijn in geslachtsgemeenschap. Het verschilt per persoon wat zijn of haar seksuele voorkeuren zijn en de mate van interesse in het (andere) geslacht. Belangrijk is om niet te vroeg aannames te doen bij mensen met autisme en het per persoon te bekijken.

Seksuele activiteit

Onlangs heeft een onderzoek plaatsgevonden waar 1.183 mensen met autisme aan meededen. Alle deelnemers waren tussen de 16 en 90 jaar en moesten zelfstandig een uitgebreide vragenlijst digitaal invullen. Het overgrote deel had geen verstandelijke beperking.

Uit het onderzoek blijkt dat mensen met autisme over het algemeen minder seksueel actief zijn vergeleken met de algemene bevolking. Onder de volwassenen die seksueel actief waren, was maar 40% van de mensen met autisme seksueel actief. Daarnaast hadden mensen met autisme bijna acht keer meer kans om zichzelf als aseksueel te omschrijven.

Hoewel het onderzoek verschillen tussen de mensen met en zonder autisme aan het licht bracht, vond het ook overeenkomsten. Degenen met autisme die tevens seksueel actief waren, hadden rond dezelfde leeftijd seks ten opzichte van de algehele bevolking. Ook hadden ze net zoveel kans een seksueel overdraagbare aandoening te hebben gehad.

Op zich is er niets mis mee om geen seks te hebben. Wel kan het een probleem vormen wanneer seksuele behoeften wel aanwezig zijn. Onvervulde verlangens kunnen voor teleurstelling en verdriet zorgen en heeft vaak een negatieve invloed op iemands geestelijke gezondheid. 

Seksuele voorlichting 

Wat onderzoek ook laat zien, is dat jongeren met autisme niet gemakkelijk toegang hebben tot seksuele voorlichting. Dit moet nodig veranderen vinden diverse deskundigen: jongeren met autisme moeten de mogelijkheid hebben om kwalitatieve voorlichting te krijgen over seksualiteit. In de praktijk blijkt namelijk de voorlichting ondermaats te zijn. Oude denkbeelden en overtuigingen over autisme en seksualiteit kunnen een belemmering vormen bij het geven van passende voorlichting. Daarnaast geven niet alle scholen voorlichting over seksualiteit. Dit is voornamelijk het geval in het speciaal onderwijs. In het reguliere onderwijs wordt in de meeste gevallen wel seksuele voorlichting gegeven.

Indien seksuele voorlichting wordt aangeboden is het niet altijd afgestemd op de leerbehoeften van mensen met autisme. Leerbehoeften hebben betrekking op diverse aspecten van het onderwijs, zoals: de manier waarop instructies en feedback worden gegeven, de leerstof, de leertijd, de werkvormen, de motivatie en de leeromgeving. Indien de leerbehoefte niet aansluit op iemand, wordt informatie minder goed opgenomen. Aangezien mensen met autisme over het algemeen op een andere manier informatie verwerken, is het van belang om rekening te houden met de leerbehoeften van deze mensen bij het geven van voorlichting.

Veel jonge mensen met autisme identificeren zich niet als heteroseksueel terwijl hier juist de meeste aandacht naar uit gaat bij seksuele voorlichting. Andere seksuele voorkeuren zoals: Homoseksualiteiteel, biseksualiteit en aseksualiteit komen maar beperkt ter sprake in seksuele voorlichtingsprogramma’s. Ook genderdysforie – het gevoel in een verkeerd lichaam geboren te zijn – komt veelal niet aan bod. 

Het bespreken van seksualiteit

Voor sommige mensen met autisme is het aanvoelen van (ongeschreven) gedragsregels in een situatie lastig waardoor sommigen ongepast of seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen. Ook vinden velen het lastig om grenzen aan te geven waardoor zij een hoger risico hebben om zelf blootgesteld te worden aan grensoverschrijdend gedrag. Begeleiding bij seksualiteit kan daarom veel baat hebben bij mensen met autisme. In veel gevallen zie je dat begeleiding pas wordt ingezet wanneer sprake is van een negatieve seksuele ervaring. Deze negatieve ervaring kan elke vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag omvatten; in verbale en fysieke zin. Begeleiding moet ervoor zorgen dat mensen met autisme bepaalde vaardigheden beter ontwikkelen en tijdig hun grenzen aangeven. Ook wordt aangeleerd wat gepast gedrag is op seksueel gebied. 

Voor ouders van een kind met autisme is ook een rol weggelegd. Het is van belang om het onderwerp seksualiteit vroeg of laat aan te snijden. Indien nodig kan hulp van een zorgverlener ingeschakeld worden. Wanneer al vroeg in de puberteit openlijk over seks en seksuele gezondheid wordt gepraat, heeft dat op latere leeftijd veel profijt.


Laat een reactie achter